Hoera voor Prinsjesdag

AOW-voordeel

Wie AOW krijgt en stopt met werken, raakt de arbeidskorting kwijt. Dat is de belastingkorting van maximaal €3249 voor werkenden. Het verlies wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de ouderenkorting, maar niet bij iedereen. Dat wordt vanaf 2019 beter.


TEKST NELLEKE ROOKMAAKER EN REINOUT VAN DER HEIJDEN

De gedachte achter de huidige ouderenkorting is niet uit te leggen. In 2018 geldt een harde inkomensgrens voor de hoge (€1418 per jaar) en lage ouderenkorting (€72 per jaar). Wie de AOW-leeftijd bereikt en een inkomen tot €36.346 heeft, krijgt de maximale ouderenkorting van €1418. Bij een inkomen van slechts €1 meer is de ouderenkorting ineens nog maar €72. Dat betekent dat €1 extra pensioen ruim €1300 netto kan kosten.

Omdat de meeste mensen niet bijhouden hoeveel ze precies verdienen, werkt dit uit als een vreemdsoortige loterij. Wie zijn belastingaangifte voor de eerste keer als AOW’er invult, kan de situatie niet meer veranderen. Wie van tevoren bedacht is op de gekke regel, kan aan het einde van het jaar nog wel vaak iets slims doen om de maximale korting binnen te halen. Bijvoorbeeld een aftrekbare gift doen om het verzamelinkomen iets te verlagen. Of iets meer inleggen voor de oude dag via lijfrentesparen.

"Vanaf 2019 wordt de ouderenkorting anders en eerlijker berekend"

Fiscale partners kunnen bij de aangifte vaak nog wat schuiven met hun inkomsten en aftrekposten in het verdeelscherm, zodat het verzamelinkomen soms net op of onder de €36.346 komt (het verzamelinkomen is het totaal aan inkomen in box 1, 2 en 3 na verrekening van de aftrekposten). Deze tip om de hoge ouderenkorting binnen te slepen, is voor het laatst toepasbaar bij de aangifte over 2018. Vanaf 2019 wordt de ouderenkorting namelijk anders en eerlijker berekend.

  • In 2019 gaat de maximale ouderenkorting omhoog naar €1596 per jaar. Dit bedrag wordt vanaf de inkomensgrens van €36.800 geleidelijk afgebouwd naar €0. De korting vervalt bij een inkomen vanaf €47.500 per jaar.


  • AOW’ers met een verzamelinkomen tot €46.500 gaan er in 2019 op vooruit. Vooral mensen met een inkomen tussen de €36.500 en €42.000 profiteren flink. Verder loop je niet langer het risico jezelf in je voet te schieten als je van tevoren niet hebt gekeken of je onder of boven de inkomensgrens uitkomt. Dat geldt vooral voor wie een inkomen heeft tussen de €35.000 en €42.000.


  • Met een inkomen vanaf €47.500 heb je geen profijt van de wijzigingen en ga je er juist €72 op achteruit. De minimale ouderenkorting wordt vanaf dat inkomen geschrapt. Dat betekent dat AOW’ers met een inkomen vanaf €47.500 ineens helemaal geen ouderenkorting meer op de aanslag over 2019 terugvinden.

TIP

Inspelen op de ouderenkorting over 2019

Wie de AOW-leeftijd bereikt, kan zijn inkomen soms toch nog beïnvloeden. Veel mensen hebben namelijk als aanvulling op hun pensioen een lijfrente opgebouwd. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de gekozen looptijd. Vanaf €36.800 kost iedere €1000 extra inkomen €150 ouderenkorting. Houd daar dus rekening mee bij het vaststellen van de uitkeringsduur van een lijfrente.


Stel, je hebt een verzamelinkomen van €33.000 en een nog niet uitgekeerd lijfrentekapitaal van €50.000. Wie het geld in vijf jaar via een bankspaarlijfrente laat uitbetalen, ontvangt iets meer dan €10.000 per jaar. Dat kost per jaar ongeveer €950 aan ouderenkorting. Bij de keuze voor een looptijd van 20 jaar gaat de uitkering omlaag naar circa €2950. Dan blijf je onder de grens van €36.800 en gaat niets van de ouderenkorting verloren.


Bij een langere uitkeringsduur heb je in het begin minder te besteden. Het nog niet uitgekeerde bankspaarlijfrentekapitaal gaat na het overlijden van de begunstigde naar de erfgenamen. Dat is vooral gunstig voor de achterblijvende partner, die meestal met een veel lager inkomen wordt geconfronteerd.


Ligt het verzamelinkomen na pensionering boven €36.800, dan is het uitstellen van een lijfrente ook mogelijk. Lijfrentes moet je uiterlijk besteden in het jaar dat je 70 jaar wordt. Voor oudregimelijfrentes geldt die beperking niet. Wie zo’n verzekerde lijfrente laat staan, loopt wel het risico dat na overlijden een deel van het kapitaal aan de verzekeraar vervalt.